Jef Last

Ik werk – al jaren – aan de biografie van Jef Last. In 2019 hoop ik deze te publiceren bij uitgeverij Prometheus.

Wie was Jef Last?

Dichter, romancier, journalist, vertaler, essayist, pamflettist, kosmopoliet, socialist, communist, provo, oud-Spanjestrijder, redacteur van het illegale blad De Vonk, gepromoveerd in de Filosofie op de Chinese dichter Loe Sjuun, querulant, romanticus, begenadigd spreker: Jef Last is niet in een paar woorden te vangen. Al heel jong verzette hij zich tegen het gegoede burgerlijke milieu waar hij uit voortkwam, werd hij heen en weer geslingerd tussen een strenge protestantse vader en een kunstzinnige katholieke moeder. Wegens opstandige gedrag wordt hij regelmatig van school gestuurd en al op zijn zestiende verdiept hij zich meer in Franse socialisten en Multatuli dan in wiskunde en algebra. Nadat hij in Manchester de maatschappelijke misstanden bij de arbeiders had gezien en in Limburg in de mijnen had gewerkt, besluit hij op zijn achttiende zijn leven te wijden aan de revolutie, aan de révolte tegen de onderdrukking en uitbuiting van de medemens, in welke vorm dan ook. Dat besluit blijft hij zijn hele leven trouw, in woord en in daad.

De ideale levensgezellin die net zo in het leven stond als hij, vond hij in Ida ter Haar met wie hij in 1923 trouwde. Samen kregen ze drie dochters: Femke (1923), Ankie (1925) en Mieke (1927) . Het was sappelen, hun leven lang, want Jef Last was altijd overal en nergens en Ida, als oprichtster van het kindertheater De Vrolijke Brigade en vervolgens het kindercircus Elleboog, moest het schamele brood op de plank voor het gezin verdienen. Jef Last bleek geen man voor een vaste betrekking. In een interview uit 1969 zei hij daarover: ”Het spreekwoord ‘twaalf ambachten, dertien ongelukken ‘zou wel enigszins op mij toegepast kunnen worden, want ik was achtereenvolgens mijnwerker, afhouwertje op de visserij, matroos op de marine en de koopvaardij, assistent manager bij de ENKA (Ede), bordenwasser in New York, salesman in Kingston on Hudson, bankwerker bij de Otis elevator fabrieken in Flushing en bij Berkels patent, leider van de filmdienst van het Instituut voor Arbeidersontwikkeling, explicateur, chauffeur en acteur in de eerste avant-garde film die Joris Ivens maakte, en waarvoor ik het scenario had geschreven”. Dat scenario voor de film Branding schreef hij in 1929, en in 1930 verscheen zijn eerste roman , onder dezelfde naam. Niets vaste betrekking, hij was schrijver: “Voor mij is schrijven hetzelfde als leven”. Voortaan zal hij alleen van zijn pen – en van zijn lezingen- leven.

Na enkele reizen naar de Sovjet-Unie wordt hij eind 1932 lid van de CPH. Hij schrijft vooral romans en gedichten ‘als wapen in de klassenstrijd’. Van groot belang is dan ook zijn ontmoeting met de grote Franse schrijver André Gide in 1934 in Parijs, die hem leert dat je als geëngageerd schrijver, ook best mooi mag schrijven. Met onder anderen André Gide maakt hij eind juni 1936 de beruchte reis naar de Sovjet-Unie, die op een ramp uitloopt omdat Gide de poppenkast van de communisten al snel door heeft en zich kapot ergert. Last kan zich op dat moment niet permitteren het met Gide eens te zijn, maar later zal hij zeggen dat zijn grote vriend hem toen de ogen heeft geopend dat die staat van Stalin toch niet de heilsstaat was die hij dacht. Wel besloot Last onmiddellijk te gaan vechten in de Spaanse Burgeroorlog die net was uitgebroken, omdat zowel hij als Gide daarin ‘het begin van de grote krachtmeting met het fascisme’ en ook ‘het begin van de ware renaissance van het socialisme’ zagen. Jef Last was een van de eerste van de honderden Nederlandse vrijwilligers die aan republikeinse zijde zouden vechten.

Op zijn eigen verzoek werd hij ingedeeld bij de Spaanse milicias, zijn communistische kameraden, en niet bij de Internationale Brigades. Last toonde zich in de strijd een uitstekende aanvoerder, met hart voor het ongeregeld zootje van analfabete boeren en arbeiders voor wie hij verantwoordelijk was. In het land van blinden is éénoog koning, en zo kon het dat hij, met alleen zijn ervaring als padvinder en zee milicien, al snel bevorderd werd tot korporaal. En na de strijd aan het front Ciudad Universitaria in Madrid wordt hij luitenant. Moeilijkheden krijgt hij vooral van de kant van de communisten. Allereerst omdat hij vrij openlijk – Last was een behoorlijke flapuit- zijn teleurstelling uitsprak over het uitblijven van concrete steun van de Sovjet-Unie aan de dappere, maar slecht bewapende republikeinen. En ten tweede omdat hij door hen werd gedwongen Gide’s boek Retour de l’URRS (1936), een buitengewoon kritisch verslag van hun reis door de Sovjet-Unie, in het openbaar af te vallen. Hij redde zich eruit met een uitvlucht (“ik heb het niet gelezen”), maar zijn positie werd steeds neteliger. Hij beseft dat zelf ook, want hij schrijft aan Gide: ”Gelukkig ben ik niet bang voor zowel de kogels aan het front als voor die welke van achteren komen”, dus hij strijdt onverdroten door. In mei 1937 wordt hij tot kapitein bevorderd aan het front van Las Rosas.

Hierna wordt de opeenvolging van gebeurtenissen zeer onduidelijk, de verschillende versies van zowel Last zelf als van onderzoekers spreken elkaar tegen. Wordt Last nu voor of na die bevordering tot kapitein toegevoegd aan de staf van de XI-de Internationale Brigade? Hoe het ook zij, lang duurde die periode niet, volgens Last zelfs maar twee dagen. Hij ging weer terug naar zijn oude Spaanse regiment. Maar daar lag de spreekwoordelijke communistische kogel al voor hem gereed, omdat de Russische geheime dienst Jeff (!) Last als ‘anti-sovjet’, ‘gevaarlijke Trotskist’ en ‘lid van de POUM” had aangemerkt. Ook moest hij wéér afstand nemen van het boek van Gide. Hij weigerde. In het Volksdagblad van 8 november 1937 schrijft hij: ”Want, ook al moeten we de opvattingen van Gide als schadelijk voor de proletarische zaak verwerpen, dan wil dat niet zeggen dat wij daarmee het recht op zelfkritiek moeten prijsgeven”. Hij bleef dus nog het communisme toegedaan, maar zijn opvatting over (zelf)kritiek erop was zeer moedig. Elke criticaster kon immers de kogel verwachten, daar sprongen de communisten losjes mee om. Het werd geen kogel deze keer, maar wel een ‘wegpromoveren’ als officier om, achter het front in Madrigueras, nieuwe rekruten op te leiden als soldaten.

Maar het communistisch gekonkel ging door, ook al had hij in januari 1937 een grote propagandatoer door Frankrijk, België en Nederland gemaakt om de inzet van de Sovjet-Unie in Spanje te prijzen. Die reis zou hem het leven redden, want toen hij in oktober 1937 wéér voor de krijgsraad moest verschijnen, nu op beschuldiging van het meewerken aan de voorbereidingen in januari van de opstand van de POUM, kon hij met vliegtickets bewijzen dat hij in die tijd niet in Barcelona was geweest. Wel werden hem zijn rangordes van kapitein van het lijf gerukt en werd hij achtergelaten in een tent, met een pistool op tafel voor hem, in de verwachting dat hij zichzelf uit wanhoop zou doodschieten. Of dit een apocrief verhaal is, kan ik niet beoordelen, maar wel is het merkwaardig dat in een biografie over André Malraux exact hetzelfde verhaal staat, maar nu voor Malraux.

Het wordt Last in elk geval duidelijk dat het te gevaarlijk voor hem is in Spanje, en hij gaat dan ook gretig in op de uitnodiging van het Noorse Spanje-comité om een propagandareis door Scandinavië te maken, eind 1937. Nog steeds blijft hij trouw aan het communisme en trekt volle zalen, maar als hij in februari 1938 de val van Teruel verneemt en wat de communisten écht uitgespookt hebben in Spanje, is het over en uit met zijn geloof in de ‘oude kameraden’. “Ik wist”, zo schrijft hij in zijn onuitgegeven memoires, “dat Teruel verloren was gegaan omdat de Russen geen wapenen leverden aan een Catalaanse regering waarin Anarchisten zaten. (..) In Kopenhagen, na de val van Teruel, zegde ik mijn lidmaatschap van de partij op”. Bertolt Brecht praat nog een hele avond en nacht op hem in, maar het mag niet baten.

Daarna kreeg hij alle mogelijke drek over zich heen die communisten voor afvalligen van de partij altijd in petto hebben en waarbij ’homoseksueel’ en ‘deserteur’ nog de minste waren. Last raakte, ook omdat hij niet naar Nederland terug kon aangezien hij zijn Nederlanderschap had verloren zoals alle oud-Spanjestrijders, in een diepe depressie. Hij bleef maar rondreizen in Scandinavië, waar je ook niet vrolijker van wordt. Als klap op de vuurpijl werd hij ook nog door de meeste oud-Spanjestrijders voor ‘laffe deserteur’ uitgemaakt, Hollander Piet (Laros) voorop. In een interview van Laros met H. Schmidt, die een interessante scriptie schreef over De Nederlanders in de Internationale Brigades van de Spaanse Burgeroorlog, omschrijft Laros Jef Last ongezouten als ‘een avonturier, politiek van alles een beetje, een intellectueel maar voor alles een carrière –maker, grootspreker en praalhans’. Nu kan je Jef Last van veel nare eigenschappen betichten – impulsief, snel aangebrand, ijdel en notoir onhandig -, maar een deserteur en carrière-maker was hij zeker niet, integendeel. Beide kemphanen werden, ongetwijfeld tegen hun zin, ‘herenigd’ toen zij als eersten en enigen in 1946 hun Nederlanderschap terugkregen van minister Schermerhorn. De anderen volgden pas in 1947, of nog veel later.

De schrijversader van Jef Last was voorgoed geopend met de brieven die hij aan zijn vrouw Ida schreef vanuit de loopgraven van Spanje. Buiten zijn medeweten, liet zij deze publiceren als brochures van 10 cent per stuk, om zó in het levensonderhoud van haar gezin te voorzien. Wie die Brieven uit Spanje (1936), In de loopgraven voor Madrid (1937) en Madrid strijdt verder (1937) leest, later nog aangevuld met essays in De Spaansche Tragedie (Contact, 1938), kan slechts diep onder de indruk raken van de oprechte idealen, het mededogen en de liefde voor de medemens waarmee Jef Last in Spanje vocht. Hij zou nog ruim veertig romans, essays en poëziebundels, en duizenden krantenartikelen schrijven over zijn houding ten opzichte van de revolutie, over de literatuur en geschiedenis van Japan en China, over Formosa en Nederland, maar de intensiteit van zijn brieven uit Spanje zal hij nooit meer evenaren.

In de laatste jaren van zijn leven in het Rosa Spierhuis in Laren, zien we hem als een enigszins verbitterd man, gefrustreerd over het uitblijven van literaire erkenning en over de aarzelingen van Wolters Noordhoff om zijn memoires uit te geven. Maar hij was geen gebroken man, want hij bleef schrijven. En ruzie maken, zoals met Annie Romein- Verschoor die ook in het Rosa Spierhuis woonde. Op 15 februari 1972 overleed hij aan kanker. Zijn lichaam vermaakte hij aan de wetenschap.