Friesland: nabij of voorbij?

Op 1 oktober jl hield ik in de prachtige Dorpskerk Huizum in Leeuwarden de jaarlijkse Slauerhoff Lezing. De kerk is een passende locatie aangezien er op de Huizumer begraafplaats verschillende familieleden van hem werden begraven. In mijn lezing ga ik in op het tweeslachtige gevoel dat veel Friezen hebben ten aanzien van hun provincie. Een verlangen om zowel thuis als weg van huis te zijn. Slauerhoff symboliseerde die combinatie van Heimweh en Fernweh als geen ander.

Een verkorte versie van de lezing is verkrijgbaar als pdf, voor de volledige tekst moet u even doorklikken.

frd-slauerhofflezing-2015-10

Friesland: nabij of voorbij?

Jan Jacob Slauerhoff is heel belangrijk geweest in mijn leven, al van jongs af aan.

Ik was daarom buitengewoon vereerd dat Peter de Haan mij vroeg deze tweede Slauerhofflezing te houden in wat een mooie traditie lijkt te worden. Ik hoop het van harte, want Slauerhoff is een van de meest internationale ingezetene van Leeuwarden. En een van de grootste schrijvers van het interbellum.

Leeuwarden, hoewel hij zijn geboortestad – en Friesland, maar ook Nederland- vaak heeft verguisd, mag trots op hem zijn.

Voorafgaand aan mijn lezing, wil ik graag in het kort vertellen waarom Slauerhoff zo belangrijk is geweest in mijn leven, en hoe onze levenslopen parallellen vertonen. En grote verschillen uiteraard.

Net als Slauerhoff ben ik in Leeuwarden geboren en getogen. En als puber beïnvloed door de gedichten en romans van Slauerhoff, vertrok ik, net als hij, na het behalen van mijn eindexamendiploma als een pijl uit de boog naar Amsterdam, de grote wijde wereld in. Slauerhoff schrijft aan zijn vriend Feriz, als hij in 1927 even terugkeert naar Leeuwarden (ik citeer): “Wat is dat vreemd, een provinciestad. Ik hoop dat ik er spoedig weer uit kan vertrekken”(einde citaat). Net als Slauerhoff was ik als kind ziekelijk en zwakjes– ja, dat zou je nu niet meer zeggen!- , ik had kinkhoest, en daarom gingen we tijdens onze vakanties naar een eiland. Vlieland voor Slauerhoff, Terschelling én Vlieland voor ons. Net als Slauerhoff kwam ik uit een gematigd orthodox protestants gezin. Toen ik Frans ging studeren, hield ik van dezelfde Franse dichters als hij: Rimbaud, Baudelaire en Verlaine.

Hij werd lid van het studentencorps, ik ook. Hij hield van reizen, ik ook.

Maar daarmee houden de gelijkenissen wel op, want – en nu komt het grote verschil, het verschil aller verschillen: Slauerhoff was een superieur schrijver en dichter; ik heb – met hem vergeleken- maar een paar lullige boekjes geschreven. En ik heb mijn kinkhoest overwonnen, terwijl het grote drama in het leven van Slauerhoff zijn afschuwelijke zwakke gezondheid was, waardoor hij op 38 jarige leeftijd al overleed.

Dit alles slecht ter inleiding op mijn eigenlijke lezing, getiteld: Friesland: voorbij of nabij? En, zoals het een goed gereformeerd opgevoed iemand betaamt, heb ik mijn preek – we zijn hier ten slotte niet voor niets in een kerk- in drie punten opgedeeld, vooral ook omdat u dan bij het derde punt kunt denken: hè hè, we zijn er bijna.

  1. Reizen verruimt de geest. En toch blijft je geboorteplaats trekken, of je wilt of niet.
  2. Veel talen spreken maakt het je gemakkelijker om je zinvol te bewegen in andere culturen . Waar staat het Fries in dit rijtje?
  3. De titel Europese Culturele Hoofdstad voor Leeuwarden – Fryslân in 2018 is een zegen voor Friesland . Alleen weet men dat nog niet.

We beginnen met punt 1.

Reizen verruimt je geest. En toch blijft je geboorteplaats trekken, of je wilt of niet.

Het mooist is dit verwoord in het gedicht ‘Onrust’ van Jacob Israël De Haan, ook al zo’n gedreven schrijver als Slauerhoff en ook al met zo’n tragisch einde op jonge leeftijd: De Haan werd op 30 juni 1924 op 43- jarige leeftijd doodgeschoten in Jeruzalem. Zijn gedicht gaat als volgt: “Die te Amsterdam vaak zei : “Jerusalem”/ En naar Jerusalem gedreven kwam,/ Hij zegt met mijmrende stem/ “Amsterdam. Amsterdam”. (einde citaat).

In dit verband wil ik graag twee grote reizende schrijvers naast elkaar zetten, namelijk Jef Last, het onderwerp van de biografie waaraan ik werk, en Slauerhoff. Beiden zijn in hetzelfde jaar geboren, in 1898, maar toen Slauerhoff stierf in 1936, vocht Jef Last in de Spaanse Burgeroorlog. Een wereld van verschil. Maar ook van overeenkomsten.

Even in een notendop het leven van Jef Last, evenals Slauerhoff dichter, prozaschrijver, vertaler, toneelschrijver en bezeten van de zee. Tot aan zijn dood in 1972, was Jef Last een zeer bekend schrijver. Hij woonde van zijn tweede tot zijn vijfde jaar in Leeuwarden aan de Noordersingel, waar zijn vader Inspecteur van de Arbeid was. Ook hij keerde terug naar Friesland, vooral als onderduiker in de Tweede Wereldoorlog, en publiceerde in 1941 bij De Arbeiderspers zijn roman De Elfstedentocht, waarvan duizenden exemplaren werden verkocht. Ik citeer uit een recensie: ”Jef Last beschrijft op meeslepende wijze het vooroorlogs stads- en dorpsleven in Friesland. Met de elf steden als uitgangspunten laat de auteur ons romantiserend de hele provincie zien en de Elfstedentocht loopt als een zilveren draad door het hele verhaal heen. Om tenslotte – hoe kan het ook anders, onze volle aandacht op te eisen bij het aanbreken van de grote dag”(einde citaat). Het boek is in 1979 heruitgegeven bij de Friese Pers, maar tot zover zijn link met Friesland.

Jef Last heeft ruim honderd gedichtenbundels en romans, non-fictieboeken over Japan, China, de Sovjet Unie en Spanje geschreven. Samen met zijn vriend Joris Ivens maakte hij in 1929 de film De Branding, waarvan hij het scenario omwerkte tot zijn debuutroman met dezelfde naam. Op zijn zestiende werd hij lid van de SDAP en in 1933, zoals zovelen, communist. Hij reisde met zijn grote vriend, de Franse schrijver André Gide , in 1936 naar de Sovjet-Unie, maar ging meteen door naar Spanje om in de Spaanse Burgeroorlog te vechten. In 1938 stapte hij – in Spanje!- uit de communistische partij, wat hem niet in dank werd afgenomen, om het maar zachtjes uit te drukken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij redacteur van het ondergrondse blad De Vonk en als vriend van Soekarno werkte hij als leraar op een middelbare school in Singaradja, de vroegere hoofdstad van Bali, van 1950-1954. Jef Last sprak dertien (!) talen en promoveerde in Hamburg op de Chinese dichter Loe Shun. Hij stond nog op de lijst van Provo, in 1966, en stierf in 1972. Als bijzonderheid moet nog worden vermeld dat hij morse-seinen kon geven met zijn oren.

Slauerhoff en Last hadden veel zaken gemeen.

Beiden waren grote schrijvers tijdens het interbellum. Beiden waren gedreven schrijvers, ze moesten de hele wereld zien en haastten zich over alle wereldzeeën die er maar bestonden. Slauerhoff als scheepsarts, Last als scheepsmaatje voor de mast en marine- officier. Beiden schreven veel gedichten over zee. Beiden hadden grote bewondering voor landen als China en Spanje. In het enige interview ooit met Slauerhoff, en wel van journalist G.H. ’s Gravensande in 1933, zegt hij: (ik citeer) ”Holland is een goed land, maar als je daar je inspiratie moest halen, zou het treurig gesteld zijn. Ik beschouw Spanje en China als de beschaafdste landen van de wereld. De Hollandse beschaving is als roggebrood: substantieel, degelijk, maar niet gracieus”(einde citaat) .Jef Last zou het Slauerhoff volmondig nazeggen.

Beiden vereenzelvigden zich met de outcasts, met de mensen aan de onderkant van de samenleving.

Beiden waren ook enorme sloddervossen, zowel in hun werk als in het leven. Last heeft (onuitgegeven) memoires nagelaten, waarin zo ongeveer elke naam fout is gespeld en elk jaartal verkeerd is. Slauerhoff’s werk werd gered, in de zin van: publiceerbaar gemaakt, door zijn grote vriend Eddy du Perron. Berucht zijn de vuile nagels waarmee Slauerhoff zijn patiënten tegemoet trad – niet erg handig voor een arts-, en berucht zijn de verhalen over een Last die overal brandende peuken op houten tafels achterliet . Of, en nu citeer ik zijn vrouw, Ida Last ter Haar, oprichtster van Kindercircus Elleboog, ”Als ik met Jef in de metro in Parijs zat, vergat hij mij binnen twee minuten. Dan stapte hij uit, zonder mij”. (einde citaat)

Maar nu de verschillen.

Waar Slauerhoff gedreven werd door zijn eigen innerlijke onrust en levenswalging, was Jef Last oprecht geëngageerd met de medemens . Waar Slauerhoff gekweld werd door de demonie van de zwerversgeest, bereisde Last veel landen met een nauw omschreven doel: een linkse internationale te smeden om het lot van de arbeider te verlichten, hem trachten te verheffen via literatuur en cultuur. Twee totaal verschillenden doelen, in een tijd die op springen staat, het interbellum. Huub Mous schrijft In zijn indrukwekkende lezing, getiteld ‘Slauerhoff en het onbehagen in de cultuur’ uit 2010, (ik citeer): “Wie in de jaren dertig zijn ogen niet in de zak had zitten, wist dat er een catastrofe op komst was. Al in 1932 schreef Slauerhoff aan zijn vriend Feriz:”Geloof jij niet dat het over een paar jaar een chaos in Europa zal zijn?”. (Einde citaat) Maar, zo vervolgt Huub Mous in zijn lezing: (ik citeer)” Het interbellum was bij uitstek het tijdperk van het demonische en een drang tot vernietiging”(einde citaat). Daar heeft hij gelijk in, maar het pakte voor Slauerhoff anders uit dan voor Jef Last: richtte Slauerhoff die vernietigingsdrang vooral op zichzelf, hierbij geholpen door zijn wrede ziektes, Jef Last probeerde die om te zetten in iets positiefs: redt de arbeider uit zijn benarde omstandigheden van armoe, van werkloos zijn in crisistijd. Sluit je aan bij een vakbond of een linkse politieke partij, en zing de Internationale met volle borst mee. Verdedig de échte democratie, namelijk die van het volk.

Deze houding heeft ook precies HET grote verschil tussen Slauerhoff en Last opgeleverd. Slauerhoff zette zijn vernietigingsdrang en Weltschmerz om in onovertroffen verzen en romans, in lyrische visioenen van landen, landschappen , zeeën en havens. Last schreef vooral gedichten en romans met een boodschap, wat het literaire gehalte meestal niet ten goede komt. Wordt Jef Last vrijwel niet meer gelezen na zijn dood in 1972, Slauerhoff leeft nog altijd door met zijn grote talent en literair meesterschap. Slauerhoff verdedigde niet de democratie van het volk, maar de suprematie van de literatuur.

Zo ben ik aangekomen bij punt 2. Tjeetje, zult u denken, wanneer zegt ze nu eens wat over die mentaliteitskwestie van sommige Friezen? Dat komt nog, maakt u zich niet ongerust.

Veel talen spreken maakt het je gemakkelijker om je zinvol te bewegen in andere culturen . Waar staat het Fries in dit rijtje?

Jef Last sprak 13 talen, waaronder Japans en Chinees, Jan Jacob Slauerhoff minstens 7, en ik slechts vijf, waarbij ik ter verdediging van deze aflopende reeks wél moet aantekenen dat ik het Fries, Latijn en oud-Grieks wel kan LEZEN.

Tegenwoordig wordt het nutteloos gevonden om zoveel talen te spreken, Engels is toch voldoende en de rest kan je toch opzoeken via Google Translate? En bovendien kom je met de bèta-wetenschappen toch veel verder in het leven?

Nee dus. De taal van het land spreken waarin je rondreist of zaken doet, geeft een immense verdieping aan je kennis van de MENSEN in dat land. De zakelijke gegevens over musea en kerken, over de mooiste plekken en vergezichten, haal je wel van je Ipad af. Hoe de mensen leven en een cultuur in elkaar zit, niet. Dàt leer je alleen maar in de praktijk, door met hen te praten en, als het kan grapjes te maken. Maar vooral: hen in hun waarde te laten en niet duidelijke leugentjes om bestwil af te straffen. Ik herinner me nog die keer in Senegal, waar de voertaal Frans is, en ik op het strand , uitkijkend over de immense zee, met mijn gids-voor-die dag, een hele grote Senegalees, zat te praten. Hij zei dat hij 20 was en ongetrouwd, maar ik schatte hem zeker op 40 , en vader van een gezin met 8 kinderen. Maar dat zei ik niet natuurlijk. Bij een piepklein potje thee – want hij was moslim- bespraken we de voor- en nadelen van het roken van hasj in ons beider land, Senegal en Nederland. Ik bedoel maar.

Waar staat het Fries in dit rijtje van talen? Allereerst een positief iets over het Fries. Het voordeel van in een tweetalige omgeving opgroeien, is dat je gevoel voor taal al vroeg wordt ontwikkeld. Je wéét en je hoort om je heen dat er niet één taal is. Mijn pake en beppe in Toppenhuzen spraken alleen maar Fries, geen Nederlands. Tweetalig opgevoed worden geeft je een grote voorsprong op ééntaligen, geeft je de vaardigheid om andere talen redelijk snel op te pikken. Tenminste, dat is mijn persoonlijke stelling, maar hij wordt door verschillende wetenschappelijke onderzoeken gestaafd.

Maar maakt vloeiend Fries spreken het gemakkelijker je in andere culturen te bewegen? Laten we het vriendelijk zó zeggen: niet in andere culturen, maar vooral in je eigen cultuur, in Friesland. Dit kan – ik zeg: KAN – negatief uitpakken als je stug Fries blijft spreken in een gezelschap waarin sommige mensen geen Fries verstaan. Ik heb dat, tot mijn schaamte, vaak meegemaakt . Soms gebeurt dat uit onachtzaamheid, uit onbeleefdheid ook, maar vooral ook omdat Friezen zich dan kennelijk opeens een uitverkoren volk voelen, mensen die tot een geheim genootschap behoren: de Fries-sprekenden. Waarin iedereen iedereen kent en elkaar – letterlijk- verstaat. En de ander, die geen Fries spreekt, buiten sluit.

Zo voelde het in elk geval weer een beetje, toen ik weer in Leeuwarden kwam wonen , in 2012 en 2013. In mijn jeugdjaren in Leeuwarden was ik al wat anders dan anderen, uit de Engelumerstraat gingen niet veel MEISJES naar het gymnasium. En mijn moeder deed, op mijn verzoek, elke dag mijn haar anders: dan weer vlechten bovenop het hoofd, dan weer een staartje, dan weer zwierig los (bewegingen maken). Ja, ik had een erg lieve moeder. Maar al die gordijntjes die dan weer heen en weer bewogen, het ‘wat zullen de buren er wel van zeggen’ : het benauwde me zó dat ik blij was naar de grote stad Amsterdam te kunnen verhuizen. Waar iederéén er raar uit ziet. Waar je anoniem kunt zijn. Ik citeer een mooie strofe van Slauerhoff uit zijn gedicht In Nederland:” In Nederland wil ik niet leven/Men moet er steeds zijn lusten reven/ Ter wille van de goede buren/ Die gretig door elk gaatje gluren/’k ga liever leven in de steppen/Waar men geen last heeft van zijn naasten/’(einde citaat). Anoniem WILLEN leven, kunnen veel Friezen zich niet voorstellen. Of ze denken dat het zielig is, omdat dan niemand meer aan je vraagt: ”Van wie ben jij er eentje?”. Maar ik vind het heerlijk, anoniem zijn in het buitenland, in Amsterdam. Het gevoel hebben dat, als je de deur uit stapt, er altijd iets KAN gebeuren. Dat je in Amsterdam de Thalys naar Parijs kunt nemen, de ICE naar Frankfurt, of het vliegtuig naar Nice. Het laatste heb ik overigens het afgelopen weekend gedaan en ik kan u verzekeren dat het onder een palmboom werken aan een lezing lekkerder is dan achter je bureau. En zeker die van Slauerhoff, de reiziger bij uitstek. Vrijheid, dat is het woord dat erbij past. De grote Franse dichter Paul Eluard publiceerde in 1942 een lang gedicht, getiteld Liberté, ofwel Vrijheid. Ik citeer het eerste en het laatste couplet:

“Sur mes cahiers d’écolier
Sur mon pupitre et les arbres
Sur le sable sur le neige
J’écris ton nom”

In – mijn eigen vertaling, luidt het als volgt:

“Op mijn schoolschriften
op mijn lessenaar en op de bomen
in het zand en in de sneeuw
schrijf ik je naam”

En het laatste couplet:

“Et par le pouvoir d’un mot
Je recommence la vie
Je suis né pour te connaître
Pour te nommer”

Ofwel:

“En door de kracht van een woord
begin ik een nieuw leven
ik ben geboren om je te kennen
om je een naam te geven”.

En die naam is: LIBERTE ofwel: VRIJHEID

Terug in 2012 en 2013 was het niet meer het gevoel van de wapperende gordijntjes dat me benauwde. Het was vooral het feit dat het me kwalijk werd genomen DAT IK GEEN FRIES SPRAK. Men zei het niet met zoveel woorden, maar het was wel waar. Terwijl ik zelfs de meest dronken Friezen uitstekend kan verstaan!

Dat ligt anders met Malta, waar ik regelmatig kom als coördinator van alle activiteiten die worden ontwikkeld tussen Leeuwarden-Fryslân2018 en de andere Europese Culturele Hoofdstad in 2018, Valletta .

Malta, met zijn eigen taal, het Maltees, dat evenals het Fries, door circa 400.000 mensen wordt gesproken, heeft als voordeel dat hun tweede taal het Engels is, het lingua franca van de wereld. Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik aan het Maltees, de enige Europese taal overigens met Arabische wortels, geen touw kan vast knopen. Misschien hebt u het zelf al kunnen zien of lezen toen u in maart jongstleden een kilo nieuwe Maltezer aardappelen kocht, waar een gedicht in het Maltees aan hing. Overigens wordt dit project, Potatoes go Wild, al sinds 2014 uitgevoerd door de Bildtse Aardappelweken onder de bezielende leiding van Froukje de Jong, en is een van de weinige taalprojecten tussen Friesland en Malta. Aan zakken pootaardappelen die in november uit Friesland naar Malta gaan en in het voorjaar als volwassen Maltezers terug komen naar Friesland, zitten steeds 7 gedichten vast geniet in het Fries, Bildts, Maltees en Engels, zodat we in 2018 een mooi Poetry Potato Book kunnen publiceren in vier talen, inclusief het Nederlands.

O ja, over Friese dichters gesproken. Ik hoop wel dat Friesland de handschoen op pakt als Nederland, inclusief Friesland, en Vlaanderen in 2016 gastland zijn op de grootste boekenbeurs ter wereld, de Frankfurter Buchmesse, notabene onder de titel: De Noordzee!. Toen ik directeur was van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds waren we ook al eens gastland, in 1993, en ik herinner me nog haarscherp het indrukwekkende optreden van Tsjêbbe Hettinga, die de 2000 mensen in het Opernhaus in Frankfurt muisstil kreeg. Het betekende zijn doorbraak in de internationale letteren. Maar nu, in 2016?

De voortekenen zijn niet goed. In 2014 had het Nederlands Letterenfonds, waarin mijn fonds-met-de-te-lange-naam is opgegaan, een speciale brochure laten maken over Ten Poets from Friesland, bestemd voor de buitenlandse markt. Een uitstekende actie. Maar wat gebeurde er? Er brak grote ruzie uit , er kwamen polemieken in de krant: waarom staat die dichter er wel in, en die en die niet? Eigenlijk kwam het er op neer: waarom sta IK er niet in? Ja, dat schiet niet op, het Letterenfonds trok zich schielijk terug na zo’n ontvangst.

Dit doet me ook nog denken aan de avond waarop ik als directeur van het Fonds in Leeuwarden Friese dichters zou toespreken, ik geloof in 1997, om hen de zegeningen van het Fonds uit te leggen, zoals subsidies voor vertalingen en het zoeken van buitenlandse uitgevers voor hun werk.

Allereerst was ik verbaasd over de opkomst. Tjonge tjonge, wat zijn er veel dichters in Friesland! Maar ten tweede raakten al deze dichters al na 10 minuten slaags met elkaar, de stoelen vlogen nog net niet door de zaal. De ene was niet Fries genoeg, de tweede véél te Fries , de derde had te weinig gepubliceerd of teveel: het hield niet op. Ik moest er vreselijk om lachen, maar nogmaals: voor het buitenland schiet dat niet op. Waarom kunnen de Friese schrijvers niet de handen inéén slaan en zich gezamenlijk, onder leiding van Tresoar, in 2016 op de Frankfurther Buchmesse presenteren? Niet als leden van een geheim genootschap dat elkaar onderling in de haren vliegt, maar als volwaardige representanten van een prachtige literatuur? Ik hoop dat dit alsnog gebeurt.

Zijn we eindelijk aangekomen bij punt 3 – ja, haalt u maar opgelucht adem, het kan nu nog even, vóórdat ik over de mentaliteitskwestie begin.

De titel Europese Culturele Hoofdstad voor Leeuwarden-Fryslân in 2018 is een zegen voor Friesland. Alleen weet men dat nog niet.

De grote vraag is natuurlijk: kunnen we het aan? En zo ja, hoe dan? Hier zal ik ook een tipje van de sluier van de mentaliteit van sommige Friezen oplichten. Een mentaliteit die KAN – ik zeg: KAN- verhinderen dat Leeuwarden als culturele hoofdstad van Europa een daverend succes wordt. Dat het een succes wordt, daarvan ben ik overtuigd, maar het moet – want Friesland heeft alles daarvoor in huis- een DAVEREND succes worden.

Eerst een klein stukje van mijn geschiedenis in de aanloop tot het behalen van de titel. Eind 2009- ik was nog niet koud terug uit Parijs en woonde weer in Amsterdam- hing gedeputeerde Jannewietske de Vries aan de lijn: of ik in het bestuur van de pas opgerichte Stichting Kulturele Haadstêd wilde plaats nemen, met mijn internationale en nationale achtergrond in het culturele leven. Ik heb met haar een afspraak gemaakt in Heerenveen, waar mijn moeder indertijd woonde in de flat Oranjewoud, om er iets meer over te weten te komen. Hoe serieus waren die plannen? Wel, bloedserieus, zei Jannewietske. En nee, veel tijd zou het niet in beslag nemen. Eén vergadering in de 2 maanden of zo. Na een week bedenktijd – ik zat al in diverse besturen, er moesten nog boeken geschreven worden- zei ik: ja. Voornamelijk omdat ik iets voor Leeuwarden terug wilde doen, een Leeuwarden waar ik dankzij mijn ouders, een geweldige opleiding heb gehad aan het Gereformeerd Gymnasium hier in Huizum, nu het Beijers Naudé geheten, en waar ik een gelukkige, beschermde jeugd had gehad. Maar ook een Leeuwarden dat in de jaren ’50 en ’60 redelijk heftig was, met veel vechtpartijen op straat, waardoor ik als meisje ’s avonds de straat niet op mocht. Een Leeuwarden dat mij zó benauwde dat ik het op 18-jarige leeftijd als een haas had verruild voor Amsterdam. Maar wie weet hoe Leeuwarden ten goede was veranderd? In elk geval sprak uit het plan veel ambitie, en daar houd ik van.

Goed, keurig vergaderen met het bestuur van KH2018, met Siem Jansen als voorzitter, Pier Damstra als penningmeester, marketingman Klaas Dijkstra, wetenschapper Annemieke Galema en politica Anje Wester-Koopmans als leden. Ik , zei de gek, was vice voorzitter.

Al snel bleek dat Leeuwarden helemáál niet zat te wachten om Culturele Hoofdstad van Europa te worden.

Wat een weerstand en wat een misverstanden. Zonder dat iemand wist wat een Culturele Hoofdstad precies inhield – wat ook moeilijk is om uit te leggen, dat geef ik toe. Ik noem het altijd maar de Culturele Olympische Spelen om de grootte van het project aan te duiden- , ik herhaal: zonder iets te weten van wat een kansen deze titel biedt, veroordeelde men het vooral op gronden van ANGST, samengevat in de slogan: Het is nooit wat met Liwwarden en het sal nooit wat wurde. Dit is alvast één van de Friese mentaliteitskwesties die ik zal noemen. Het is een mengeling van inferioriteitsgevoelens (“zij zijn groot en ik ben klein”) en superioriteitsgevoelens (“Wij Friezen kunnen dat veel beter dan die opgeblazen lui uit het Westen”) , aangelengd met een snuifje sentimentaliteit. Maar dat vooral samengevat kan worden in “angst voor het onbekende, angst voor het vreemde”. En zeggen dat “het nooit wat zal worden”, is je bij voorbaat indekken, om later superieur te kunnen beweren: “Zie je wel! Ik had het al gezegd”!

Nu bestaat een cultuur altijd uit verschillende lagen. De eerste is: de traditionele cultuur. De tweede: de hedendaagse , algemene cultuur. Als drie – en zeker heden ten dage-is er de laag van de digitale cultuur, en als vierde de ‘immigrantencultuur’, ofwel alles wat maar gezellig komt aanschuiven bij een cultuur. Al deze lagen schuiven over elkaar heen, veranderen van plaats in de hiërarchie. Dan heeft het ene weer de overhand – – bijvoorbeeld nu , met de globalisering van de wereld, klampen veel mensen zich weer vast aan de traditionele cultuur, dwz dat wat men kent-, dan weer dreigt de digitale wereld ons te overheersen. Een cultuur is dus altijd aan veranderingen onderhevig maar – en dat is een algemeen menselijk trekje,- : men houdt niet van verandering, van onduidelijkheden, van een onzekere toekomst.

Er is echter een groot verschil tussen de angst voor het ‘vreemde’ , het onbekende, en de durf de toekomst met open ogen en met opgestroopte mouwen, te omhelzen. Daarom moet ik hier meteen een misverstand uit de weg ruimen: het winnende bidbook gaat niet over ‘mienskip’- want in het eerste bidbook hadden we ook al de duistere kanten van mienskip aangestipt. Dat gezellige ‘elkaar helpen’, ‘voor elkaar zorgen’ KAN leiden tot uitsluiting, tot het niet toelaten van de ander in die saamhorige mienskip. De rode draad in het tweede , winnende bidbook, is daarom dan ook : iepen mienskip. Gooi open die ramen en deuren voor Europa, voor andersdenkenden, misschien zelfs voor mensen die kritiek op Friesland hebben. Want een maatschappij bloeit meer door mensen die de zaken scherp bekijken, met zelfkritiek én opbouwende kritiek komen, dan door meelopers en ja-knikkers.

Dàt was de kern die ik miste toen ik weer in Leeuwarden woonde: een fier en zelfbewust Friesland dat niet bang was Nederland en het buitenland te omarmen. Ik miste het groots en meeslepend durven denken.

En tóch wonnen we de titel op 6 september 2013, dankzij een ijzersterk bidbook over die iepen mienskip, het grote draagvlak onder de Friese bevolking dat marketingman Klaas Dijkstra zo ongeveer eigenhandig had gecreëerd, en dankzij de 41 al geheel uitgewerkte projecten waarin ik vrijwel altijd Friese, Nederlandse én Europese producers en kunstenaars aan elkaar had gekoppeld, zodat ze van elkaar konden leren.

Het was feest op 6 september 2013. Wat zeg ik: het was een uitzinnige explosie van vreugde! We hadden het toch maar mooi geflikt! Wat een succes!

Ik weet het: het succes heeft vele vaders – en vooral geen moeders- , en daarop was ik voorbereid. Maar niet op wat volgde.

Menig medewerker , die zich dag en nacht had ingezet voor het binnenhalen van de titel, werd opeens buiten spel gezet, zonder enig bedankje. En mensen die de kantjes eraf hadden gelopen, kraaiden opeens victorie. Succes doet rare dingen met de mensen, dat heb ik wel vaker gezien, maar dit was toch wel – hoe zal ik het netjes zeggen- ‘bijzonder’. Zij, de Friezen, hadden dit toch maar mooi voor elkaar gekregen, de niet-Friezen werden ruw opzij gedrukt.

En hoe kwam ik er zelf vanaf? Tot mijn stomme verbazing werd ik, volbloed Friezin, opeens betiteld als ‘ingevlogen uit het Westen’, en als ‘cultuurbobo’, ik geloof een HELE ERGE benaming in de ogen van veel jonge Friezen. Nu heb ik dat allemaal goed overleefd – dank u- , maar het laat wel een kras op je ziel achter. Waarom moest dat nu zo? Ik voelde me weer even het kleine meisje in het Leeuwarden van de jaren ’50.

Toch kan er ook lering uitgetrokken worden voor de toekomst, en zeker voor een succesvol 2018.

Slauerhoff schreef in zijn dagboek:” Hoe verder men van de mensen af is, hoe beter nog men helpen kan”. Pas op afstand ziet men beter.

Dit is wat ik zie: een Friesland dat trots is op zijn eigen cultuur en taal. Een Friesland dat een Jopie Huismanmuseum heeft en waar de dada-cultuur bloeide in Drachten. Een Friesland dat grote talenten- elk op hun eigen gebied- heeft voortgebracht als Slauerhoff, Escher, Vestdijk, Mata Hari, Nynke van Hichtum en Troelstra. En vandaag aan de dag nog een Doutzen Kroes , een Geert Mak, een Epke Zonderland, een Annejet van der Zijl , en dan vergeet ik er ongetwijfeld nog heel veel.

Ik zie een Leeuwarden dat er 100 keer beter voor staat dan toen ik het verliet in 1962. Met zijn nog steeds mooie Prinsentuin en die malle scheve Oldehove. Een Leeuwarden met een prachtig nieuw Fries Museum op een wonderschoon Zaailand, niet meer dat waaigat van vroeger. Een Leeuwarden dat een Haak – in Frankrijk zouden ze het een périphérique noemen- heeft aangelegd die je zo ongeveer via Groningen naar het centrum van Leeuwarden brengt.

Kortom, een Friesland en Leeuwarden waarvan ik hou.

Maar ik zie ook een Friesland dat zijn landschap ‘verrommelt’, dat ben ik geheel eens met mijn oude schoolkameraad Geert Mak. Een Friesland dat zijn benauwde, benepen kanten heeft waarvoor Slauerhoff al vluchtte en dat, als er weer een Nederlandse of buitenlandse kunstenaar of producer door Lwd2018 wordt ingeschakeld, meteen in de pers piept: waarom is hier geen Fries benoemd? Niet de vraag of hij of zij geschikt is voor die zware taak is de vraag, maar of hij/zij FRIES IS.

Maar een cultuur verrijk je niet door met een kluitje angstig boven op elkaar te blijven zitten. Die verrijk je door het vreemde, het onbekende , te omarmen.

Een cultuur verlies je niet, als je je zelf niet verliest.

En ik zie een Friesland dat best wat meer grootsheid kan gebruiken. Grootsheid in Denken , Think Big!, maar ook: in het groothartig geven van ere wie ere toekomt. Een Friesland dat niet meer als een wesp gestoken op kritiek reageert, maar bij zichzelf nagaat of er misschien toch niet enige waarheid in die kritiek schuilt.

Daarom komt de titel Culturele Hoofdstad van Europa voor Leeuwarden en Friesland als geroepen. Niet omdat het een ‘reddingsboei is voor de provincie’, zoals in het persbericht stond. Maar omdat het een Friesland kan laten zien dat , met behoud van het prachtige eigene, open staat voor de ander. Dat groots en meeslepend denkt. Dat de kwaliteiten van ook niet- Friezen kan waarderen, gewoon, omdat ook de ander hele goede kwaliteiten kan hebben. Een Friesland dat zijn landschap weer op orde brengt met projecten als Kening fan’e Greide en Sense of Place. Dat zijn elf steden verfraait met elf bijzondere fonteinen van internationale en grote kunstenaars, die veel buitenlandse cultuurliefhebbers ook NA 2018 blijven trekken. Een Friesland dat zijn achterstandswijken met sociaal-culturele projecten weer zelfvertrouwen geeft. Een Friesland dat van zijn mienskip een iepen mienskip maakt. Een Friesland dat zichzelf niet al te serieus neemt. Kortom, een Friesland dat niet ontaardt in lokaal gekissebis en geharrewar , maar open staat voor Europa, voor de wereld.

Fryslân en de Wrâld, schreef ooit Douwe Kalma al in…. 1915, waarin hij onder andere pleitte voor een nieuw élan in de Friese literatuur. En voor het richten van de blik op Engeland en Scandinavië , op Europa.

En sa ist mar krek. Ik zeg het ook hier Slauerhoff na, die kort voor zijn dood schreef: “Alleen voor Friesland heb ik nog een zwak”.

Friesland gaat nooit voorbij, maar blijft nabij. Of je het wilt of niet.

Ik dank u.